In ‘Tot hier en nu verder’ is auteur Cees van Lotringen op zoek gegaan naar de identiteit van Nederland en de bronnen van zijn 400 jaar oude succes. Hij doet dat mede aan de hand van mijn persoonlijke levensloop. Het eerste, hier gepubliceerde hoofdstuk van dat boek, ‘vage sporen van een groots verleden’, begint in Enschede, zijn geboortestad, waar sprake was van een schurende werking tussen textielbaronnen en arbeiders, katholieken en protestanten, provincie en Holland.

De auteur tussen zijn broers en zussen, op de schoot van zijn vader

Voor de tegenwoordig alom bejubelde Gouden Eeuw was in mijn jeugd geen plaats. Het was terra incognita of misschien was het zelfs wel een taboe. Want een Gouden Eeuw is er helemaal niet geweest. Zij is bedacht, met terugwerkende kracht, door de calvinisten die het toen in ons land voor het zeggen hebben gehad. Het was hun poging om de vaderlandse geschiedenis naar zich toe te schrijven, zo zou ik van de critici horen in de jaren van de verzuiling.

Want onder katholieken – en daar was ik door geboorte er een van – werd de zeventiende eeuw helemaal niet gezien, laat staan erkend als het historisch hoogtepunt van Nederland. En wie naar de zeventiende eeuw kijkt, bijvoorbeeld vanuit een pan-Europees perspectief, moest wel erkennen dat de critici gelijk hadden: de zeventiende eeuw was een periode van dood en verderf, van bloedige godsdienstoorlogen, van klimaatrampen en van hongersnoden en epidemieën. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was daarin door een gelukkige samenloop van omstandigheden de spreekwoordelijke uitzondering op de regel.

Mijn vader was trots op het predicaat koopman
De enige woorden die ik mij uit mijn jeugd herinner die als vage sporen zouden kunnen dienen naar wat nu algemeen aanvaard een Gouden Eeuw wordt genoemd, waren ‘koopman’, ‘protestant’, ‘Holland’, ‘Generaliteitslanden’ en ‘Indonesië’. Aan al die woorden hangen voor mij flarden van korte ervaringen, verhalen en herinneringen. Zo stond in het paspoort van mijn vader als beroep ‘koopman’. Ik schaamde me daar een beetje voor.

Koopman, dat waren de mensen op de markt, die de hele zaterdagochtend hun waar stonden aan te prijzen met woorden als ‘hier is uw gulden een daalder waard’. In mijn ogen was mijn vader geen koopman, maar een ondernemer. Hij had een bedrijf, met personeel. Maar een ondernemer was in die jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw volgens mij nog geen wettelijk erkend beroep, althans voor de overheid was deze aanduiding te generiek om in een officieel document op te nemen.

Mijn vader was trots op het predicaat koopman. Hij heeft het tot het laatst toe in zijn paspoort laten staan. Het illustreerde dat hij zich wel degelijk identificeerde met dat roemruchte verleden van mensen die onvermoeid naar kansen zochten en bereid waren het ruime sop te kiezen om elders in de wereld hun geluk te beproeven. Mijn vader was er daar een van. Hij meldde zich begin 1945 – tegen de wil van zijn ouders – aan als vrijwilliger voor de bevrijding van Nederlands-Indië. Hij woonde in Eindhoven dat al bevrijd was van het Duitse juk, terwijl voor het westen (waar mijn moeder woonde) nog zware maanden in het verschiet lagen. Mijn vader had zich in de lange bezettingsjaren stierlijk verveeld en verlangde nu als 19-jarige knaap naar het avontuur.

In de voetsporen van Francis Drake
Mijn vader reisde naar het Engelse Plymouth, de havenstad vanwaar admiraal Francis Drake op 26 september 1580 was teruggekeerd van een epische reis via Kaap Hoorn naar de Molukken. In mei 1945 stapte mijn vader op het 168 meter lange koopvaardijschip RMS Rangitata om met honderden andere jonge mannen een enigszins vergelijkbare reis te maken: via het Panamakanaal werd hij naar Australië gebracht voor een opleiding als boordschutter van een bommenwerper. Deze reis van pakweg 15.000 kilometer nam bijna zes weken in beslag. Hij bracht deze periode, naar eigen zeggen, hoofdzakelijk door in het kombuis met het schillen van aardappelen.

De atoombom redde mijn vader – in ieder geval vergrootte deze zijn kansen om levend terug te keren. De bommen werden in augustus 1945 op de steden Hiroshima en Nagasaki gegooid, waarna de Japanners onder de dreiging van nog meer dood en verderf capituleerden. Dat was voor mijn vader een existentiële verandering in het levensgevaarlijke pad dat hij in zijn naïviteit was gegaan. Hij werd naar Kupang op Timor gestuurd om met andere soldaten het Nederlandse gezag te dienen.

Hij heeft over zijn verblijf op het eiland zelden iets verteld. Hij deed het af als een aaneenschakeling van routineuze dagen van wachtlopen, patrouilles doen, eten en slapen, gevolgd door lome ontspanning als de soldij binnen was en het verlof een feit. Over Indonesië hoorden we van hem niet veel meer dan de rijtjes van eilanden van deze archipel die hij ons liet opdreunen: ‘Java, Bali, Sumba, Sumbawa, Lombok, Celebes.’ Soms liet hij ons foto’s zien van hem als jonge twintiger. Hij zag eruit als een jonge God, met gitzwart golvend haar, mager weliswaar, maar met een gebruinde en van levenszin vervulde kop. Om hem heen stonden andere soldaten, kameraden, die zich net als hij gelukkig prezen dat zij aan de onvrijheid en de verveling van de Nederlandse bezettingsjaren waren ontsnapt.

Indonesië kwam eens in de zoveel jaar op bezoek
‘Indonesië’ kwam eens in de zoveel jaar bij ons thuis over de vloer. Dat was als pater Molenaar kwam. Hij deed missiewerk op het eiland Flores, waar mijn vader hem had leren kennen. Als Molenaar kwam, droeg hij steevast een zwarte pij waar zijn witte haar scherp tegen afstak. Mijn vader maakte dan uit respect zijn stoel aan het hoofd van de tafel vrij om hem daar te laten zitten. Mijn moeder diende een Indonesische schotel op en er werd sambal op tafel gezet die de pater met een volle lepel over zijn rijst uitsmeerde. Mijn vader deed hem halfhartig na. Ik durfde niet, want ik had gezien hoe de vader van een vriend de hond het schooieren rigoureus had afgeleerd door hem een stuk vlees te voeren dat was ingesmeerd met sambal.

Jan Cremer:‘De lelijkste stad van Nederland’
Mijn vader was op verzoek van zijn ouders, na een aaneensluitende periode in Australië, teruggekeerd naar Nederland om bij het in 1882 opgerichte familiebedrijf te komen werken. Midden jaren vijftig werd hij uitgezonden naar Enschede, om daar de bedrijfsbelangen te behartigen. Het werd mijn geboortestad. Schrijver en schilder Jan Cremer, die er vandaan kwam, zou het omstreeks 1950 ‘de lelijkste stad van Nederland’ noemen: ‘Enschede, een stad met een immer grijze hemel, waar het vaker regende en mistte en een doordringende vettige nevel in de straten hing. Of de bittere rook van de in brand gestoken veengebieden rondom die, slechts voor even, de stank van de fabrieken verdreef. Alleen de mist kon de grauwheid van deze troosteloze plaats verhullen.’

Enschede was een industriestad, gedomineerd door tientallen textielfabrieken die pontificaal in het hart van de stad waren geplant, veelal langs de spoorlijn naar Duitsland. Het was een rauwe stad, gevuld met arbeiders en met grote standsverschillen. De mensen die in de fabrieken werkten, woonden in eenvoudige arbeidershuizen in wijken met namen als Sebastopol, de Krim en Rigtersbleek. De bovenlaag was gehuisvest in de grote villa’s vlak bij de Grote Markt in het centrum, bij het Volkspark, op de Singel dat rond het centrum meanderde, of buiten de stad in de relatief jonge wijk Stokhorst. De segregatie in Enschede liep soms langs religieuze, maar vooral langs sociale lijnen. De zeer kleine bovenlaag van de stad bestond voornamelijk uit textielbaronnen als Van Heek, Ten Cate, Jannink, Menko, Ter Kuile en Blijdenstein. Het waren veelal families van protestante of doopsgezinde afkomst.

Voor de Van Heeks waren de winkeliers als knipmessen
Ze stuurden hun kinderen naar andere scholen en sportverenigingen dan die welke wij bezochten, zoals een van de oudste hockey- en cricketverenigingen van het land, PW – Prinses Wilhelmina – of de tennisclub ELTC – Enschedese Lawn Tennis Club. Tegen die clubs en die jongens spelen, twee keer per jaar, was een prestigestrijd. Je wist dat verliezen geen optie was. Al dagen van tevoren was je nerveus en erop gebrand als winnaar van het veld te komen. Hockey was in mijn jongste jeugd meer dan een spel, het was een klassenstrijd zonder dat je wist wat dat precies was. Je streed tegen meer dan enkel elf jongens in het kakkineuze bordeauxrood. Je streed tegen het moeilijk te benoemen anders-zijn. Je streed tegen knapen die het zelfvertrouwen als een geboorterecht in hun lijf en hun omgang hadden zitten. Ze hadden daardoor iets aanmatigends, waar ik altijd opstandig van werd.

Helemaal bovenaan de sociale piramide van Enschede stonden enkele families. Er waren overal in de stad straten en pleinen naar hen genoemd: het Hendrik Jan van Heekplein, waar mijn vader op enig moment kantoor hield, de Othmar ten Catestraat en de H.C. Blijdensteinlaan. De nazaten van deze naamgevers van straten en hun kinderen brachten de weekenden regelmatig buiten de stad door, op hun buitenverblijven en de naar Engels voorbeeld ingerichte landgoederen, of in het nabijgelegen Bentheim, net over de grens in Duitsland. Daar waren ze buiten het zicht van ‘het volk’.

De beroemdste familie van de stad was met stip Van Heek. Zij was – zo is de inschatting – in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) uit Duitsland gevlucht en neergestreken in het landelijke Twente. Nazaat Hendrik-Jan van Heek had in de negentiende eeuw (textiel)machines naar Twente gebracht, dat hem volgens schrijver en familielid Jaap Scholten, in zijn tijd tot de rijkste man van het land had gemaakt. Voor de familie Van Heek waren de winkeliers als knipmessen, want de stad had veel aan haar te danken, zoals het inmiddels afgebroken zwembad aan het Van Heekplein, het Twents museum en het geschonken Volkspark. En niet te vergeten: Jan van Heek die tijdens de Tweede Wereldoorlog andere fabrikanten in vertrouwen had genomen en samen met hen meer dan 230.000 gulden had ingezameld om joden aan onderduikadressen te helpen. Daardoor konden mede dankzij Van Heek in Enschede ruim 1300 joden voor de Holocaust worden behoed. Pal tegenover de synagoge, een van de mooiste van Europa, op een steenworp afstand van het Volkspark woonden wij, op nummer 15.

Mijn vader vertelde dat hij een van de Van Heeks een kroket bij een automatiek uit de muur had zien trekken. ‘Een kroket uit de muur!
De textielbaronnen werden in Enschede met bewondering en afgunst bejegend. Stakingen in een fabriek smoorden ze in de kiem door uit solidariteit alle fabrieken in de stad in één klap stil te leggen. Dat werkte, want met een lege maag staken is een onaangename, uitputtende bezigheid. Toen in de jaren zeventig de textielsector als een Titanic water begon te maken en de directie van Van Heek werknemers begon te ontslaan en fabrieken begon te sluiten, riep dat dan ook gemengde gevoelens op. Dat de machtigste familie van de stad na een eeuw van absolute macht door de moderne tijd werd ingehaald en door de knieën ging, ervoeren veel Enschedeërs dan ook als een bevrijding, misschien zelfs wel als een genoegdoening voor de zware, geestdodende arbeid die zij in de fabrieken van de Van Heeks deden.

Mijn vader vertelde midden jaren zeventig van de vorige eeuw bij thuiskomst opgewonden dat hij een van de Van Heeks een kroket bij een automatiek uit de muur had zien trekken. ‘Een kroket uit de muur!’ riep mijn vader met overslaande stem. Dat beeld had een enorme impact op hem. Hij had een groot respect voor deze ondernemersfamilie, maar wat hij daar in de automatiek op de Oldenzaalsestraat had gezien, was voor hem het symbolische bewijs van het verval van een familie die gedurende ruim 100 jaar Enschede had gedomineerd. Voordat Van Heek-Schuttersveld begin jaren tachtig ten onder ging, doordat het bedrijf te lang inzette op corduroy dat toen dat al volledig uit de mode begon te raken, had mijn vader in overleg met zijn compagnons al besloten tot een enkele reis van zijn bedrijf en zijn gezin naar Eindhoven.

Mijn ouders hadden met Enschede een gespleten relatie. Ze hadden weliswaar een aantal vrienden waarmee ze een vrolijke en genoegzame tijd doorbrachten, maar de Brabantse gezelligheid met haar katholieke eenkennigheid ontbrak er. Hoewel het aantal protestanten in Enschede verhoudingsgewijs relatief beperkt was, verkeerde of sprak je niet met hen; net zomin als je naar hun scholen ging, van hun omroepen lid werd of de boeken las van de vele protestante auteurs, die vrijwel zonder uitzondering uit gezinnen van dominees of onderwijzers leken te komen.

Zij hadden stellige opvattingen over ons: wij waren in hun ogen onbetrouwbaar en opportunistisch. In de oorlog hadden wij volgens hen een gebrek aan moed en ruggengraat getoond. Wij vonden hen ruziemakers en scherpslijpers, stijf en afgemeten, zoals de gereformeerde onderwijzerszoon Willem Frederik Hermans die in Ik heb altijd gelijk zijn hoofdpersoon had laten zeggen: ‘De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien erop los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten.’

Van contact met hen kwam niets dan ruzie
Nee, protestanten kon je maar beter mijden, en dat deden we dan ook letterlijk. We meden de streken of steden waar ze woonden, en als het niet anders kon, jakkerde mijn vader met ons op de achterbank erdoorheen, zonder ergens te stoppen. Want van contact met hen kwam niets dan ruzie. Willem Frederik Hermans was daar het levende bewijs van. Ze zochten niet naar de overeenkomsten, maar naar de verschillen. Ze zochten naar de bres in je verdediging, zodat ze je intellectueel schaakmat konden zetten. Empathie, levensvreugde of gezelligheid moest je bij hen met een zaklamp zoeken. Wij katholieken mochten het leven juist graag genieten en vieren. Carnaval hoorde daar ook bij. Wij gingen eerst feesten en dan vasten. Protestanten vierden geen carnaval, die vastten hun hele leven in de hoop dat ze dan door God werden uitverkoren om de hemelpoort binnen te mogen gaan, zo kreeg ik thuis te horen.

Wij moesten voor het carnaval wel naar Oldenzaal – een nabijgelegen, katholieke enclave die in Twente het ‘rooms bolwerk’ werd genoemd en het in de Tachtigjarige Oorlog zwaar heeft gehad, omdat het dan weer in Spaanse en dan weer in Staatse handen was. Pas in de Franse tijd kwam de kerk weer ter beschikking aan de katholieken, een historische reden om het carnaval in het stugge Twente met meer dan gebruikelijke feestvreugde te vieren.

Wij keken met verstolen blik naar die Hollandse meiden. Zo werelds waren ze bij ons in Twente niet.
Behalve buitengesloten van de bovenlaag van de stad, voelden mijn ouders zich ook ietwat vervreemd van hun familie in Eindhoven en ’t Gooi. Vooral de broers en zussen van mijn moeder die met hun gezinnen in de welgestelde forensensteden rond Amsterdam waren neergestreken, benadrukten door hun wereldse leven ons isolement. Ze woonden in de mooiste lommerrijke lanen van het land, met huizen waar alles ruim en luxe was. De neven, de nichten en hun vrienden genoten dat leven met een vanzelfsprekendheid die mij een leeg en onvervuld gevoel gaf.

Soms mochten we op hun feestjes komen en dan keken we met een verstolen blik naar die in Holland woonachtige meiden: zo werelds en zo natuurlijk waren ze bij ons in Twente niet. Ze wisten dat ze mooi en verleidelijk waren en ze genoten er met volle teugen van. De knapen bewogen zich al even vanzelfsprekend. Ze praatten harder dan wij ooit durfden te doen. Ze droegen de laatste mode. Ze rookten sigaretten van Caballero of Lucky Strike, dronken bier uit Heineken-flesjes en ze sloegen hun armen flirterig en vrijgevochten om de meisjes waarop ze hun oog hadden laten vallen. Inderdaad, in Hilversum en Laren, in Bloemendaal en Wassenaar, was het alle dagen feest, zo leek het mij vanuit het verre Enschede toe.

‘In de Generaliteitslanden, daar liggen onze wortels’
‘Hollanders zijn anders’, zei mijn moeder, en zij kon het weten want ze had vanaf de tweede helft van de Tweede Wereldoorlog met haar familie jarenlang in Bussum gewoond, waar haar vader zijn winkelimperium uitbouwde. Maar meer dan met ’t Gooi, identificeerde zij zich met de Generaliteitslanden. ‘Daar liggen onze wortels’, zei ze. ‘Generaliteitslanden’, dat was een prachtig klinkend woord. Mijn moeder gaf er geen uitleg bij, maar de wijze waarop ze het uitsprak, maakte mij intuïtief duidelijk dat het om gebieden ging die er niet echt bij hoorden.

Dat klopte ook: de Generaliteitslanden waren veelal katholieke gebieden, zoals het huidige Noord-Brabant waar zelfs in het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog nog wel wat schamper over werd gedaan. Ze hadden anders dan de protestante provinciën in de zestiende eeuw niet het Plakkaat van Verlatinghe getekend of zich tot de Unie van Utrecht bekend. En dat werd ze nagedragen – honderden jaren lang. Ze waren katholiek gebleven en in de loop der jaren op de Spaanse overheersers veroverd. Omdat ze geen keuze hadden gemaakt, hadden ze ook geen stemrecht in de Staten-Generaal gekregen en deden ze vooral dienst als bufferzone tussen de Republiek en de Spaanse Nederlanden. Ze werden met zware belastingen en heffingen uitgebuit. Voor Overijssel, waar mijn kribbe stond, gold dat niet: Overijssel was vanaf het begin deelgenoot geweest van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, maar het was altijd een ukkepuk gebleven in verhouding tot het oppermachtige Holland.

Voor mijn moeder was het allemaal één pot nat: alleen Holland deed ertoe, en Utrecht en Zeeland misschien nog een beetje. Want Nederland was tot de maatschappelijke revolutie van de jaren zestig een in gewesten en lokale culturen en dialecten opgeknipt land. Reizen was in die tijd, bij gebrek aan een dicht wegennet, nog echt een onderneming. Het gevolg was dan ook dat de familie van mijn ouders zelden of nooit bij ons in Enschede op bezoek kwam. Daar hadden we als gezin last van, zodat het gedicht van Willem Wilmink over het isolement van Enschede door ons allen uit het blote hoofd gereciteerd kon worden:

‘Het is het eindpunt van de trein,

bijna geen mens hoeft er te zijn,

bijna geen hond gaat zover mee,

Enschede.’

De textielstad was in psychologisch opzicht nog verder van ‘de bewoonde wereld’ verwijderd dan in kilometers. Onder de broers en zussen van mijn moeder waren wij dan ook een nagenoeg vergeten loot aan de familieboom. Holland was het epicentrum van Nederland. Alles en iedereen daarbuiten vervaagde als een passant in de mist. Ik ervoer dat zelf ook: als ik bij een neef in Amsterdam uit logeren ging, wat ik regelmatig deed, dan loste mijn geboortestad en mijn familie snel in de vergetelheid op. Waarom dat zo was, begreep ik toen nog niet al maakte Amsterdam om zijn prachtige gebouwen en zijn vrijgevochten, rare vogels toen al veel indruk op me.

Pas veel later zou ik me ervan bewust worden hoe dominant Holland wel niet in de opstand tegen de Spanjaarden was geweest, welke sleutelrol het had gehad bij de vestiging van de Republiek en hoe fenomenaal zijn koopmanssuccessen wel niet was geweest. Als kind was ik me daarvan nog niet bewust en hield er dan ook een eendimensionale opvatting over de Hollanders op na, een die zowel in Twente als later in Brabant als een spijker diep in mijn vlees was geslagen: Hollanders zijn arrogant. Ze hebben een grote bek. Ze voelen zich superieur. Je geeft ze een vinger en ze nemen de hele hand.